Een viertal organisaties heeft de wens uitgesproken met elkaar samen te willen gaan werken. Alle vier hebben echter een verschillend beeld van de eindsituatie van de samenwerking. Aan mij wordt gevraagd om de financiële, juridische en organisatorische consequenties van de vier eindbeelden in kaart te brengen, zodat de bestuurders een weloverwogen keuze voor de wijze van samenwerken kunnen maken.

Uit de gesprekken met vertegenwoordigers van de vier organisaties blijkt dat men al meer dan een jaar met elkaar in gesprek is over de samenwerking. Uit de verhalen blijkt dat de discussie op een vrij abstract niveau wordt gevoerd. De klant komt in het hele verhaal nauwelijks in beeld.

In plaats van het in kaart brengen van de financiële, juridische en organisatorische gevolgen stel ik voor om met elkaar te onderzoeken welke concrete stappen partijen bereid zijn met elkaar te gaan zetten. Dat haalt de gesprekken naar een meer concreet niveau en biedt mogelijkheden om praktijkervaring met samenwerken op te gaan doen. Alle partijen stemmen daarmee in en er ontstaat een levendig gesprek over concrete stappen die gezet kunnen gaan worden en onder welke condities. De bestuurders zijn blij dat nu actief aan de samenwerking wordt gewerkt en zijn bereid om daarvoor de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Na een korte, maar gedegen voorbereidingsperiode beginnen medewerkers van de ene organisatie te participeren in de drie andere organisaties. In de kick-off bijeenkomst komt veel energie vrij. Al snel duiken de eerste kinderziekten op. In goed overleg worden deze door het management van de vier organisaties opgelost.

Na een half jaar wil niemand meer terug naar de oude situatie. Er is veel geleerd van elkaar, het onderling vertrouwen is gegroeid en het gezamenlijk probleemoplossend is sterk verbeterd. Natuurlijk moet er nog veel verbeterd worden aan de wijze waarop de samenwerking is ingericht, maar daar komt men nu wel zonder externe begeleiding uit, het probleemoplossend vermogen is immers een stuk groter geworden.